Versie: 2018

 

AFDELING XI

 

TEXTIELSTOFFEN EN TEXTIELWAREN

 

 

Aantekeningen voor de afdeling + Aanvullende aantekeningen voor de afdeling

 

 

AANTEKENINGEN voor de afdeling

 

1.    Deze afdeling omvat niet:

a)    dierlijk haar voor borstelwerk (post 0502); paardenhaar (crin) en afval daarvan (post 0511);

b)    mensenhaar en werken daarvan (posten 0501, 6703 en 6704); persdoeken en grove weefsels van mensenhaar, van de soort gewoonlijk gebruikt in oliepersen of voor dergelijk technisch gebruik, behoren evenwel tot post 5911;

c)    linters van katoen en andere plantaardige producten bedoeld bij hoofdstuk 14;

d)    asbest bedoeld bij post 2524, alsmede werken van asbest en andere producten bedoeld bij post 6812 of 6813;

e)    artikelen bedoeld bij post 3005 of 3006; garens gebruikt voor het schoonmaken tussen de tanden (floszijde), opgemaakt voor de verkoop in het klein, bedoeld bij post 3306;

f)    lichtgevoelig textiel bedoeld bij de posten 3701 tot en met 3704;

g)    monofilamenten waarvan de grootste afmeting van de dwarsdoorsnede meer dan 1 mm bedraagt, strippen en artikelen van dergelijke vorm (bijvoorbeeld kunststro) met een schijnbare breedte van meer dan 5 mm, van kunststof (hoofdstuk 39), alsmede vlechten, weefsels en ander mandenmakerswerk van deze artikelen (hoofdstuk 46);

h)    weefsels, brei- en haakwerk, vilt en gebonden textielvlies, geïmpregneerd met kunststof, voorzien van een deklaag van kunststof of met inlagen van kunststof, alsmede werken daarvan, bedoeld bij hoofdstuk 39;

ij)    weefsels, brei- en haakwerk, vilt en gebonden textielvlies, geïmpregneerd met rubber, voorzien van een deklaag van rubber of met inlagen van rubber, alsmede werken daarvan, bedoeld bij hoofdstuk 40;

k)    niet-onthaarde huiden en vellen (hoofdstuk 41 of 43) en werken van bont of van namaakbont, bedoeld bij post 4303 of 4304;

l)     artikelen van textielstoffen bedoeld bij post 4201 of 4202;

m)   producten en artikelen bedoeld bij hoofdstuk 48 (bijvoorbeeld cellulosewatten);

n)    schoeisel en delen daarvan, beenkappen, slobkousen en dergelijke artikelen bedoeld bij hoofdstuk 64;

o)    hoofddeksels, haarnetjes daaronder begrepen, alsmede delen daarvan, bedoeld bij hoofdstuk 65;

p)    artikelen bedoeld bij hoofdstuk 67;

q)    textielstoffen bedekt met schuur-, slijp- of polijstmiddelen (post 6805), alsmede koolstofvezels en werken daarvan bedoeld bij post 6815;

r)     glasvezels en werken daarvan; etskant en borduurwerk zonder zichtbaar grondweefsel, vervaardigd met borduurgaren van glasvezels (hoofdstuk 70);

s)    artikelen bedoeld bij hoofdstuk 94 (bijvoorbeeld meubelen, artikelen voor bedden, verlichtingstoestellen);

t)     artikelen bedoeld bij hoofdstuk 95 (bijvoorbeeld speelgoed, spellen, sportartikelen, netten);

u)    artikelen bedoeld bij hoofdstuk 96 (bijvoorbeeld borstels, reisnaaigarnituren, treksluitingen, inktlinten voor schrijfmachines, maandverbanden en tampons, luiers en inlegluiers voor baby's);

v)    artikelen bedoeld bij hoofdstuk 97.

 

2.    A)   Textielwaren bedoeld bij de hoofdstukken 50 tot en met 55 of bij post 5809 of 5902, die uit twee of meer textielstoffen bestaan, worden ingedeeld onder de post die betrekking heeft op de textielstof die in de samenstelling met het hoogste gewicht voorkomt.

Indien geen van de textielstoffen in gewicht overheerst, worden de textielwaren ingedeeld alsof zij volledig uit de textielstof bestaan die valt onder de post die, van de verschillende in aanmerking komende posten, in volgorde van nummering het laatst is geplaatst.

 

B)   Voor de toepassing van deze regel geldt bovendien het volgende:

a)    omwoeld paardenhaar (post 5110) en metaalgarens (post 5605) worden geacht voor hun totale gewicht één textielstof te zijn; de draden van metaal worden, voor de indeling van de weefsels waarin zij zijn verwerkt, aangemerkt als textiel;

b)    bij de indeling wordt in de eerste plaats het van toepassing zijnde hoofdstuk vastgesteld en daarna de van toepassing zijnde post van dat hoofdstuk, waarbij alle textielstoffen, die niet tot dat hoofdstuk behoren, buiten beschouwing worden gelaten;

c)    de hoofdstukken 54 en 55 worden aangemerkt als één enkel hoofdstuk, indien de textielwaren zowel textielstoffen bedoeld bij de hoofdstukken 54 en 55 als bedoeld bij andere hoofdstukken bevatten;

d)    de textielstoffen bedoeld bij eenzelfde hoofdstuk of bij eenzelfde post, worden als één textielstof aangemerkt.

 

C)   De in de letters A) en B) vervatte regels gelden ook ten aanzien van de garens bedoeld bij de aantekeningen 3, 4, 5 of 6 hierna.

 

3.    A)   In deze afdeling worden, behoudens de in letter B) hierna gemaakte uitzonderingen, aangemerkt als „bindgaren, touw en kabel”, de garens (eendraads, getwijnd of gekabeld):

a)    van zijde of van afval van zijde, van meer dan 20 000 decitex;

b)    van synthetische of van kunstmatige vezels (die verkregen uit meer dan een monofilament bedoeld bij hoofdstuk 54 daaronder begrepen), van meer dan 10 000 decitex;

c)    van hennep of van vlas:

1)  gepolijst of geglansd, van 1 429 decitex of meer;

2)  niet gepolijst en niet geglansd, van meer dan 20 000 decitex;

d)    van kokosvezels, samengesteld uit drie of meer draden;

e)    van andere plantaardige vezels, van meer dan 20 000 decitex;

f)    die zijn gewapend met metaaldraad.

 

B)   De in letter A) vervatte regels gelden niet ten aanzien van:

a)    garens van wol, van haar of van paardenhaar en papiergarens, andere dan die gewapend met metaaldraad;

b)    kabel van synthetische of kunstmatige filamenten, bedoeld bij hoofdstuk 55 en multifilamenten zonder twist of met twist van minder dan 5 toeren (slagen) per meter, bedoeld bij hoofdstuk 54;

c)    poil de Messine (crin de Florence) bedoeld bij post 5006 en monofilamenten bedoeld bij hoofdstuk 54;

d)    metaalgarens bedoeld bij post 5605; de indeling van met metaaldraad gewapende textielgarens is geregeld in letter A), onder f), hiervoor;

e)    chenillegarens, omwoelde garens en kettingsteekgarens, bedoeld bij post 5606.

 

4.    A)   Voor de toepassing van de hoofdstukken 50, 51, 52, 54 en 55 worden, behoudens de in letter B) hierna gemaakte uitzonderingen, aangemerkt als „opgemaakt voor de verkoop in het klein”, de garens (eendraads, getwijnd of gekabeld) die zijn opgemaakt:

a)    op kaarten, klossen, buisjes en dergelijke opwindmiddelen, met een gewicht (het gewicht van het opwindmiddel meegerekend) van niet meer dan:

1)  85 g voor zijde, voor afval van zijde en voor synthetische of kunstmatige filamenten;

2)  125 g voor andere textielstoffen;

b)    in bollen, kluwens of strengen met een gewicht van niet meer dan:

1)  85 g voor synthetische of kunstmatige filamenten van minder dan 3 000 decitex, voor zijde en voor afval van zijde;

2)  125 g voor andere garens van minder dan 2 000 decitex;

3)  500 g voor andere garens;

c)    in strengen, die door een of meer verdeeldraden zijn onderverdeeld in van elkaar gescheiden strengetjes van gelijk gewicht, dat niet hoger is dan:

1)  85 g voor zijde, voor afval van zijde en voor synthetische of kunstmatige filamenten;

2)  125 g voor andere garens.

 

B)   De in letter A) vervatte regels gelden niet ten aanzien van:

a)    eendraadsgarens, ongeacht de textielstof waaruit zij zijn vervaardigd, met uitzondering van:

1)  eendraadsgarens van wol of van fijn haar, ongebleekt;

2)  eendraadsgarens van wol of van fijn haar, gebleekt, geverfd of bedrukt, van meer dan 5 000 decitex;

b)    getwijnde of gekabelde garens, ongebleekt:

1)  van zijde of van afval van zijde, ongeacht de opmaak;

2)  van andere textielstoffen (met uitzondering van wol en van fijn haar) in strengen;

c)    getwijnde of gekabelde garens, van zijde of van afval van zijde, gebleekt, geverfd of bedrukt, van niet meer dan 133 decitex;

d)    eendraadsgarens, getwijnde of gekabelde garens, ongeacht de textielstof waaruit zij zijn vervaardigd, opgemaakt:

1)  op kruisgehaspelde strengen;

2)  op een opwindmiddel of op enigerlei andere wijze, waaruit het gebruik van die garens in de textielindustrie blijkt (bijvoorbeeld op buisjes voor twijnmachines, op cops, op spoelen of op kegelvormige pijpjes, dan wel als cocons voor borduurmachines).

 

5.    Voor de toepassing van de posten 5204, 5401 en 5508 worden als „naaigarens” aangemerkt, getwijnde of gekabelde garens, die aan de volgende voorwaarden voldoen:

a)    opgemaakt op een opwindmiddel (bijvoorbeeld klossen of buisjes) met een gewicht (het gewicht van het opwindmiddel meegerekend) van niet meer dan 1 000 g;

b)    geappreteerd met het oog op hun gebruik als naaigaren, en

c)    met een „Z” — eindtwist.

 

6.    Voor de toepassing van deze afdeling worden als „garens met een hoge sterktegraad” aangemerkt, garens met een sterktegraad, uitgedrukt in cN/tex (centinewton per tex), van meer dan:

   voor eendraadsgarens van nylon of van andere polyamiden, alsmede van polyesters: 60 cN/tex,

   voor getwijnde of gekabelde garens, van nylon of van andere polyamiden, alsmede van polyesters: 53 cN/tex,

   voor eendraadsgarens, alsmede voor getwijnde of gekabelde garens, van viscoserayon: 27 cN/tex.

 

7.    Voor de toepassing van deze afdeling worden aangemerkt als „geconfectioneerd”:

a)    artikelen die anders dan vierkant of rechthoekig zijn gesneden;

b)    artikelen die als zodanig dan wel na enkel te zijn gesneden, kunnen worden gebruikt zonder te worden genaaid of zonder een andere aanvullende bewerking te ondergaan (bijvoorbeeld sommige dweilen, handdoeken, tafelkleden, hoofddoeken, dekens);

c)    op maat gesneden artikelen met ten minste een thermisch gelaste boord met een zichtbaar spits toelopende of gecomprimeerde rand en met de andere boorden behandeld zoals beschreven in een van de alinea's van deze aantekening, maar met uitzondering van weefsels waarvan de randen door middel van thermosnijden of op een andere eenvoudige manier zijn afgezet om rafelen te voorkomen;

d)    artikelen waarvan de boorden zijn gezoomd, ongeacht op welke wijze, ook indien met een rolnaad, alsmede artikelen afgezet met geknoopte franje die is verkregen, hetzij met behulp van de draden van het weefsel zelf, hetzij door het aanbrengen van draden; weefsels aan het stuk waarvan de randen wegens het ontbreken van zelfkanten zijn afgezet om rafelen te voorkomen, worden echter niet als „geconfectioneerd” aangemerkt;

e)    artikelen die zijn gesneden, ongeacht in welke vorm, en die, door het uittrekken van draden, van motieven, enz. zijn voorzien;

f)    artikelen die zijn aaneengenaaid, aaneengelijmd of anderszins aaneengezet (met uitzondering van stukken van eenzelfde soort textiel, die aan de uiteinden zijn aaneengehecht teneinde een stuk met een grotere lengte te verkrijgen en met uitzondering van stoffen die bestaan uit twee of meer op elkaar gelegde en daarna aaneengestikte lagen textiel, ook indien met een tussenlaag van watten);

g)    artikelen, in vorm gebreid of gehaakt, afzonderlijk aangeboden dan wel aangeboden in twee of meer eenheden aan het stuk.

 

8.    Voor de toepassing van de hoofdstukken 50 tot en met 60:

a)    hebben de hoofdstukken 50 tot en met 55 en 60 en, voor zover uit de context niet het tegendeel blijkt, de hoofdstukken 56 tot en met 59 geen betrekking op artikelen die, volgens aantekening 7 hiervoor, als geconfectioneerd zijn aan te merken;

b)    de hoofdstukken 50 tot en met 55 en 60 omvatten geen artikelen bedoeld bij de hoofdstukken 56 tot en met 59.

 

9.    Als weefsels in de zin van de hoofdstukken 50 tot en met 55 worden eveneens aangemerkt producten bestaande uit lagen evenwijdig liggende textieldraden, die zodanig op elkaar zijn geplaatst, dat de draden van de verschillende lagen elkaar onder een scherpe of een rechte hoek kruisen en op die kruispunten met behulp van een kleefstof of door thermisch lassen aan elkaar zijn gehecht.

 

10.  Elastische producten bestaande uit textielstoffen gecombineerd met rubberdraden worden ingedeeld onder deze afdeling.

 

11.  Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder „geïmpregneerd” mede verstaan „gedipt”.

 

12.  Voor de toepassing van deze afdeling worden onder „polyamiden” mede verstaan „aramiden”.

 

13.  In deze afdeling en, in voorkomend geval, elders in de nomenclatuur worden aangemerkt als „elastomeergarens”, filamentgarens (monofilamenten daaronder begrepen) van synthetische textielstoffen, andere dan getextureerde garens, die niet afbreken indien zij uitgerekt worden tot driemaal hun aanvankelijke lengte en die, na te zijn uitgerekt tot tweemaal hun aanvankelijke lengte, binnen vijf minuten weer krimpen tot een lengte niet groter dan anderhalfmaal hun aanvankelijke lengte

 

14.  Tenzij uit de context het tegendeel blijkt, worden kledingstukken van textiel die onder verschillende posten vallen, ingedeeld onder hun eigen post, zelfs indien zij zijn opgemaakt in stellen of assortimenten voor de verkoop in het klein. Voor de toepassing van deze aantekening worden onder „kledingstukken van textiel” verstaan kledingstukken bedoeld bij de posten 6101 tot en met 6114 en 6201 tot en met 6211.

 

 

Aanvullende aantekeningen voor de afdeling

 

1.    In deze afdeling en, in voorkomend geval, elders in de nomenclatuur worden aangemerkt als:

a)    „ongebleekte garens”:

1)  garens die de natuurlijke kleur hebben van de vezels waaruit zij zijn samengesteld en die niet gebleekt, niet geverfd (ook niet in de massa) of niet bedrukt zijn;

2)  garens met een vage kleur (grisaillegarens) vervaardigd van rafelingen.

Deze garens mogen zijn behandeld met een kleurloos appret of met een vluchtige kleurstof (die verdwijnt door het enkel wassen met zeep) en mogen in het geval van synthetische of kunstmatige vezels, in de specie zijn behandeld met een matteringsmiddel (bijvoorbeeld titaandioxide);

b)    „gebleekte garens”:

1)  garens die een bleekproces hebben ondergaan, of zijn vervaardigd van gebleekte vezels, of, voor zover niet anders is bepaald, wit zijn geverfd (ook indien in de massa), dan wel zijn behandeld met een wit appret;

2)  garens bestaande uit een mengsel van ongebleekte en gebleekte vezels;

3)  getwijnde of gekabelde garens bestaande uit ongebleekte en gebleekte garens;

c)    „gekleurde (geverfde of bedrukte) garens”:

1)  garens die, anders dan wit of met een vluchtige kleurstof, zijn geverfd (ook indien in de massa) of zijn bedrukt, dan wel zijn vervaardigd van geverfde of bedrukte vezels;

2)  garens bestaande uit een mengsel van verschillend gekleurde vezels of van een mengsel van ongebleekte of gebleekte vezels met gekleurde vezels (jaspé- en melangegarens), dan wel met tussenruimten in een of meer kleuren zijn bedrukt (zogenaamde chinégarens);

3)  garens vervaardigd van bedrukte lonten of van bedrukte voorgarens;

4)  getwijnde of gekabelde garens bestaande uit ongebleekte of gebleekte garens en gekleurde garens.

Vorenstaande definities zijn mutatis mutandis van toepassing op monofilamenten, strippen en artikelen van dergelijke vorm, bedoeld bij hoofdstuk 54;

d)    „ongebleekte weefsels”:

       weefsels vervaardigd van ongebleekte garens en die niet zijn gebleekt, noch geverfd of bedrukt. Deze weefsels mogen zijn behandeld met een kleurloos appret of met een vluchtige kleurstof;

e)    „gebleekte weefsels”:

1)  weefsels aan het stuk, die zijn gebleekt of, voor zover niet anders is bepaald, wit zijn geverfd dan wel zijn behandeld met een wit appret;

2)  weefsels bestaande uit gebleekte garens;

3)  weefsels bestaande uit ongebleekte en gebleekte garens;

f)    „geverfde weefsels”:

1)  weefsels aan het stuk, die anders dan wit (voor zover niet anders is bepaald), in één enkele kleur zijn geverfd of met een gekleurd appret, anders dan wit (voor zover niet anders is bepaald), zijn behandeld;

2)  weefsels bestaande uit gekleurde garens van één kleur;

g)    „weefsels van verschillend gekleurd garen”:

       weefsels (andere dan bedrukte weefsels):

1)  bestaande uit garens van verschillende kleuren of van nuances van dezelfde kleur (andere dan de natuurlijke kleur van de vezels waaruit zij zijn samengesteld);

2)  bestaande uit ongebleekte of gebleekte garens en gekleurde garens;

3)  bestaande uit jaspé- of melangegarens.

(In alle gevallen worden de garens gebruikt voor de zelfkanten en de stukeinden buiten beschouwing gelaten);

h)    „bedrukte weefsels”:

       weefsels aan het stuk, bedrukt, ook indien vervaardigd van verschillend gekleurde garens.

(Als bedrukte weefsels worden eveneens aangemerkt: weefsels voorzien van dessins die, bijvoorbeeld, zijn aangebracht met penseel of verfspuit, door middel van transfers, met scheerhaar of door batikken.)

Het merceriseren beïnvloedt geenszins de indeling van garens en weefsels volgens vorenstaande definities.

De vorenstaande definities onder d) tot en met h) zijn mutatis mutandis van toepassing op brei- en haakwerk aan het stuk;

ij)    „platbinding”:

een weefselstructuur waarin iedere inslagdraad afwisselend over en onder de achtereenvolgende kettingdraden en iedere kettingdraad afwisselend over en onder de achtereenvolgende inslagdraden gaat.

 

2.    A)   Producten bedoeld bij de hoofdstukken 56 tot en met 63, bestaande uit twee of meer textielstoffen, worden aangemerkt als geheel samengesteld uit de textielstof die, overeenkomstig aantekening 2 op deze afdeling, bepalend zou zijn voor de indeling van de goederen bedoeld bij de hoofdstukken 50 tot en met 55 of post 5809 en die zijn samengesteld uit diezelfde textielstoffen.

 

B)   Voor de toepassing van deze regel wordt:

a)    in daartoe aanleiding gevende gevallen, alleen rekening gehouden met het gedeelte dat, aan de hand van algemene regel 3 voor de interpretatie van de nomenclatuur, de indeling bepaalt;

b)    voor de textielproducten bestaande uit een grondweefsel bedekt met een pool of met lussen, geen rekening gehouden met het grondweefsel;

c)    voor borduurwerk bedoeld bij post 5810, en voor artikelen daarvan, alleen rekening gehouden met het grondweefsel. Voor de indeling van etskant of van ander borduurwerk zonder zichtbaar grondweefsel, en van artikelen daarvan, wordt echter alleen rekening gehouden met de borduurgarens

 

 

TOP

 

Hoofdstukken van deze afdeling:

Hoofdstuk 50:   Zijde

Hoofdstuk 51:   Wol, fijn haar en grof haar; garens en weefsels van paardenhaar (crin)

Hoofdstuk 52:   Katoen

Hoofdstuk 53:   Andere plantaardige textielvezels; papiergarens en weefsels daarvan

Hoofdstuk 54:   Synthetische of kunstmatige filamenten; strippen en artikelen van dergelijke vorm, van synthetische of van kunstmatige textielstoffen

Hoofdstuk 55:   Synthetische of kunstmatige stapelvezels

Hoofdstuk 56:   Watten, vilt en gebonden textielvlies; speciale garens; bindgaren, touw en kabel, alsmede werken daarvan

Hoofdstuk 57:   Tapijten

Hoofdstuk 58:   Speciale weefsels; getufte textielstoffen; kant; tapisserieën; passementwerk; borduurwerk

Hoofdstuk 59:   Weefsels, geïmpregneerd, bekleed, bedekt of met inlagen; technische artikelen van textielstoffen

Hoofdstuk 60:   Brei- en haakwerk aan het stuk

Hoofdstuk 61:   Kleding en kledingtoebehoren, van brei- of haakwerk

Hoofdstuk 62:   Kleding en kledingtoebehoren, andere dan van brei- of haakwerk

Hoofdstuk 63:   Andere geconfectioneerde artikelen van textiel; stellen of assortimenten; oude kleren en dergelijke; lompen en vodden

 

TOP