Versie: 2017

AFDELING XII

 

SCHOEISEL, HOOFDDEKSELS, PARAPLU'S, PARASOLS, WANDELSTOKKEN, ZITSTOKKEN, ZWEPEN, RIJZWEPEN, ALSMEDE DELEN DAARVAN; GEPREPAREERDE VEREN EN ARTIKELEN VAN VEREN; KUNSTBLOEMEN; WERKEN VAN MENSENHAAR

 

Aantekeningen voor de afdeling + Aanvullende aantekeningen voor de afdeling (GN)

 

 

 

HOOFDSTUK 64

 

SCHOEISEL, BEENKAPPEN EN DERGELIJKE ARTIKELEN; DELEN DAARVAN

 

 

Aantekeningen + Aanvullende aantekeningen + Aanvullende aantekeningen (GN)

 

 

AANTEKENINGEN

 

1.    Dit hoofdstuk omvat niet:

a)    wegwerpartikelen om de voeten of het schoeisel te bedekken, van niet-duurzaam materiaal (bijvoorbeeld papier, vellen van kunststof), zonder aangezette zool (indeling naar het materiaal waarvan zij zijn vervaardigd);

b)    schoeisel van textielstoffen, zonder aangelijmde, aangenaaide of anderszins aangezette buitenzool (afdeling XI);

c)    gedragen schoeisel bedoeld bij post 6309;

d)    artikelen van asbest (post 6812);

e)    orthopedisch schoeisel en andere orthopedische artikelen, alsmede delen daarvan (post 9021);

f)    schoeisel dat het karakter heeft van speelgoed, alsmede schaatsschoenen met aangezette schaatsen (ijs- en rolschaatsen); scheenbeschermers en dergelijke beschermende artikelen voor de sportbeoefening (hoofdstuk 95).

 

2.    Als „delen” in de zin van post 6406 worden niet aangemerkt: schoenpinnen, schoenspijkers, zoolbeslag en dergelijk beslag, oogjes, haken, gespen, galons, pompons, veters en andere versieringsartikelen en passementwerk, die worden ingedeeld onder de posten die daarvoor in aanmerking komen, en evenmin schoenknopen (post 9606).

 

3.    Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden:

a)    als „rubber” of „kunststof” eveneens aangemerkt, textiel met een deklaag van rubber of van kunststof, die aan de buitenzijde zichtbaar is met het blote oog; voor de toepassing van deze bepaling wordt de door de bedoelde bewerkingen veroorzaakte kleurverandering buiten beschouwing gelaten;

b)    als „leder” aangemerkt de producten bedoeld bij de posten 4107 en 4112 tot en met 4114.

 

4.    Met inachtneming van het bepaalde in aantekening 3 op dit hoofdstuk:

a)    wordt de aard van het bovendeel bepaald door de stof die het grootste gedeelte van de buitenzijde van het bovendeel uitmaakt; toebehoren en versterkingen zoals boordsel, enkelstukken, versieringen, gespen, oogjes of soortgelijke voorzieningen worden daarbij buiten beschouwing gelaten;

b)    wordt de aard van de buitenzool bepaald door het materiaal dat met het grootste oppervlak in aanraking komt met de grond; toebehoren en versterkingen zoals punten, dwarsreepjes, nagels, schoenbeslag of dergelijke voorzieningen worden daarbij buiten beschouwing gelaten.

 

 

Aanvullende aantekeningen

 

1.    Voor de toepassing van de onderverdelingen 6402 12, 6402 19, 6403 12, 6403 19 en 6404 11 wordt als „sportschoeisel” uitsluitend aangemerkt:

a)    schoeisel ontworpen voor sportbeoefening, voorzien van of uitgerust met voorzieningen voor het bevestigen van punten, spijkertjes, klemmen, dwarsreepjes en dergelijke;

b)    schaatsschoenen, skischoenen, zogenaamde snowboardschoenen, worstelschoenen, boksschoenen en wielrenschoenen

 

 

Aanvullende aantekeningen (GN)

 

1.    Voor de toepassing van aantekening 4, onder a), worden als „versterkingen” aangemerkt alle stukken materiaal (bijvoorbeeld kunststof of leder) die, ter aanvullende versterking, de buitenzijde van het bovendeel bedekken, ook indien zij aan de zool zijn bevestigd. Na het verwijderen van de versterkingen dient het dan zichtbare materiaal het karakter te hebben van een bovendeel (niet dat van een voering), dat het schoeisel, met de oorspronkelijke sluitsystemen op hun plaats, voldoende grip op de voet biedt om de gebruiker in staat te stellen met het schoeisel te lopen.

Voor de vaststelling van de aard van het materiaal van het bovendeel moet met de delen die door toebehoren of versterkingen zijn bedekt rekening worden gehouden.

 

2.    Voor de toepassing van aantekening 4, onder b), worden een of meer lagen van textielstoffen die niet de kenmerken bezitten die gewoonlijk zijn vereist voor normaal gebruik van een buitenzool (bijvoorbeeld duurzaamheid, sterkte, enz.), bij het bepalen van de aard van de buitenzool buiten beschouwing gelaten.

 

 

TOP