Versie: 2017

AFDELING VII

 

KUNSTSTOF EN WERKEN DAARVAN; RUBBER EN WERKEN DAARVAN

 

Aantekeningen voor de afdeling + Aanvullende aantekeningen voor de afdeling (GN)

 

 

 

HOOFDSTUK 39

 

KUNSTSTOF EN WERKEN DAARVAN

 

 

Aantekeningen + Aanvullende aantekeningen + Aanvullende aantekeningen (GN)

 

 

AANTEKENINGEN

 

1.    In de nomenclatuur worden als „kunststof” aangemerkt, die stoffen bedoeld bij de posten 3901 tot en met 3914, die de eigenschap hebben of gehad hebben om, tijdens de polymerisatie of in een later stadium, onder inwerking van uitwendige krachten (meestal warmte en druk, eventueel onder toevoeging van een oplosmiddel of van een weekmaker), door gieten, persen, extruderen, walsen of elk ander proces een bepaalde vorm aan te nemen en die vorm te bewaren, ook nadat bedoelde uitwendige krachten niet meer inwerken.

In de nomenclatuur wordt onder „kunststof” mede begrepen, vulkanfiber. Dit begrip heeft echter geen betrekking op stoffen die worden aangemerkt als textielstoffen bedoeld bij afdeling XI.

 

2.    Dit hoofdstuk omvat niet:

a)    smeermiddelen bedoeld bij de posten 2710 of 3403;

b)    was bedoeld bij de posten 2712 en 3404;

c)    geïsoleerde chemisch welbepaalde organische verbindingen (hoofdstuk 29);

d)    heparine en zouten daarvan (post 3001);

e)    oplossingen (andere dan collodion) van producten bedoeld bij de posten 3901 tot en met 3913 in vluchtige organische oplosmiddelen, indien zij meer dan 50 gewichtspercenten oplosmiddelen bevatten (post 3208); stempelfoliën bedoeld bij post 3212;

f)    organische tensioactieve producten en bereidingen bedoeld bij post 3402;

g)    natuurlijke harsen door smelten gewijzigd en gomesters (post 3806);

h)    dopes voor minerale oliën (benzine daaronder begrepen) of voor andere vloeistoffen die voor dezelfde doeleinden worden gebruikt als minerale oliën (post 3811);

ij)    vloeistoffen voor hydraulische krachtoverbrenging bereid op basis van polyglycolen, siliconen of andere polymeren bedoeld bij hoofdstuk 39 (post 3819);

k)    reageermiddelen voor diagnose of voor laboratoriumgebruik, op een drager van kunststof;

l)     synthetische rubber, omschreven in hoofdstuk 40, alsmede werken daarvan;

m)   zadel- en tuigmakerswerk (post 4201), koffers, handtassen en andere bergingsmiddelen bedoeld bij post 4202;

n)    vlechtwerk en mandenmakerswerk bedoeld bij hoofdstuk 46;

o)    wandbekleding bedoeld bij post 4814;

p)    goederen bedoeld bij afdeling XI (textielstoffen en textielwaren);

q)    artikelen bedoeld bij afdeling XII (bijvoorbeeld schoeisel, hoofddeksels, paraplu's, parasols, wandelstokken, zwepen, rijzwepen en delen van deze artikelen);

r)     fancybijouterieën bedoeld bij post 7117;

s)    artikelen bedoeld bij afdeling XVI (machines en toestellen, elektrotechnisch materieel);

t)     delen van vervoermaterieel bedoeld bij afdeling XVII;

u)    artikelen bedoeld bij hoofdstuk 90 (bijvoorbeeld optische elementen, brilmonturen, tekeninstrumenten);

v)    artikelen bedoeld bij hoofdstuk 91 (bijvoorbeeld horlogekasten en kasten voor klokken en voor pendules);

w)   artikelen bedoeld bij hoofdstuk 92 (bijvoorbeeld muziekinstrumenten en delen daarvan);

x)    artikelen bedoeld bij hoofdstuk 94 (bijvoorbeeld meubelen, verlichtingstoestellen, lichtreclames, geprefabriceerde bouwwerken);

y)    artikelen bedoeld bij hoofdstuk 95 (bijvoorbeeld speelgoed, spellen, sportartikelen);

z)    artikelen bedoeld bij hoofdstuk 96 (bijvoorbeeld borstels, knopen, treksluitingen, kammen, mondstukken en stelen voor pijpen of voor sigarettenpijpjes en dergelijke, delen van thermosflessen en dergelijke, pennen, vulpotloden en statieven met een, twee of drie poten en dergelijke artikelen).

 

3.    Onder de posten 3901 tot en met 3911 worden alleen ingedeeld, producten die door chemische synthese zijn verkregen en die in de volgende categorieën vallen:

a)    vloeibare synthetische polyolefinen die voor minder dan 60 % van hun volume overdistilleren bij 300 °C, herleid tot een druk van 1.013 mbar met toepassing van een lage druk distillatiemethode (posten 3901 en 3902);

b)    licht gepolymeriseerde harsen van het cumaronindeentype (post 3911);

c)    andere synthetische polymeren met gemiddeld ten minste 5 monomeereenheden;

d)    siliconen (post 3910);

e)    resolen (post 3909) en andere prepolymeren.

 

4.    Onder „copolymeren” worden verstaan, die polymeren waarin geen enkele monomeereenheid voor 95 of meer gewichtspercenten van het totale polymeergehalte aanwezig is.

Voor zover niet anders is bepaald, worden, voor de toepassing van dit hoofdstuk, copolymeren (copolycondensatieproducten, copolyadditieproducten, blokcopolymeren en geënte copolymeren daaronder begrepen) en mengsels van polymeren ingedeeld onder de post die betrekking heeft op het polymeer van die comonomeereenheid die in gewicht overheerst over iedere andere afzonderlijke comonomeereenheid. Voor de toepassing van deze aantekening worden samenstellende comonomeereenheden van polymeren die onder dezelfde post vallen, bij elkaar opgeteld.

Indien geen enkele comonomeereenheid overheerst, wordt voor de copolymeren of voor de mengsels van polymeren, naar gelang van het geval, van de verschillende nog in aanmerking komende posten, de post toegepast die in volgorde van nummering het laatst is geplaatst.

 

5.    Chemisch gewijzigde polymeren, waarin uitsluitend zijgroepen van de hoofdketen door chemische reactie zijn gewijzigd, worden ingedeeld onder de post die van toepassing is op het niet-gewijzigd polymeer. Deze bepaling is niet van toepassing op geënte copolymeren.

 

6.    Voor de toepassing van de posten 3901 tot en met 3914 worden uitsluitend de volgende vormen als „primaire vormen” aangemerkt:

a)    vloeistoffen en pasta's, dispersies (emulsies en suspensies) en oplossingen daaronder begrepen;

b)    blokken in onregelmatige vorm, stukken, klonters, poeder (vormpoeder daaronder begrepen), korrels, vlokken en dergelijke.

 

7.    Onder post 3915 worden niet ingedeeld, resten en afval van één enkele thermoplastische stof die zijn verwerkt tot primaire vormen (posten 3901 tot en met 3914).

 

8.    Voor de toepassing van post 3917 worden als „buizen” en „slangen” aangemerkt, holle producten, zowel halffabricaten als afgewerkte producten (bijvoorbeeld geribde tuinslang, geperforeerde buizen), van de soort gewoonlijk gebruikt voor het geleiden, het vervoeren of het verdelen van gas of van vloeistof. Hieronder worden mede begrepen kunstdarmen en andere platte buizen. Met uitzondering van de eerder genoemde kunstdarmen en andere platte buizen worden echter niet als buizen doch als profielen aangemerkt: producten met een inwendige dwarsdoorsnede, anders dan rond, ovaal of rechthoekig (waarbij de lengte niet meer bedraagt dan anderhalfmaal de breedte) of anders dan in de vorm van een regelmatige veelhoek.

 

9.    Voor de toepassing van post 3918 wordt onder „wand- en plafondbekleding van kunststof” verstaan: producten op rollen met een breedte van 45 cm of meer, geschikt voor het bekleden van muren of van plafonds, bestaande uit op een drager van ongeacht welke stof (andere dan papier) blijvend bevestigde laag kunststof die is gegreineerd, gegaufreerd, gekleurd, met motieven bedrukt of op andere wijze aan de voorzijde versierd.

 

10.  Voor de toepassing van de posten 3920 en 3921 worden onder „platen, vellen, foliën, stroken en strippen” uitsluitend verstaan: platen, vellen, foliën, stroken en strippen (andere dan die bedoeld bij hoofdstuk 54), alsmede blokken van regelmatige geometrische vorm, ook indien bedrukt of op andere wijze aan het oppervlak bewerkt, niet versneden of enkel vierkant of rechthoekig versneden (ook indien zij door dit versnijden het karakter van gebruiksklare artikelen hebben verkregen), doch niet verder bewerkt.

 

11.  Onder post 3925 worden uitsluitend de volgende goederen ingedeeld, voor zover zij niet kunnen worden aangemerkt als goederen bedoeld bij een der voorgaande posten van onderdeel II:

a)    reservoirs, tanks (septische daaronder begrepen), vaten en dergelijke bergingsmiddelen, met een inhoudsruimte van meer dan 300 l;

b)    bouwelementen, bijvoorbeeld vloer-, wand-, tussenschot-, plafond-of dakelementen;

c)    dakgoten en hulpstukken daarvoor;

d)    deuren en ramen, alsmede kozijnen daarvoor en drempels voor deuren;

e)    balkons, balustrades, omheiningen, hekken en dergelijke afsluitingen;

f)    blinden, jaloezieën, rolgordijnen en dergelijke artikelen, alsmede delen en toebehoren daarvoor;

g)    grote rekken om te worden gemonteerd en blijvend te worden bevestigd, bijvoorbeeld in winkels, werkplaatsen, pakhuizen;

h)    bouwkundige versieringsmotieven, bijvoorbeeld profiellijsten, koepels, architraven;

ij)    garnituren en beslag om blijvend te worden bevestigd in of op deuren, vensters, trappen, muren of andere delen van gebouwen, bijvoorbeeld knoppen, grepen, haken, consoles, handdoekrekjes, platen voor schakelaars en andere beschermende platen

 

 

Aanvullende aantekeningen

 

1.    Binnen een post van dit hoofdstuk worden polymeren (copolymeren daaronder begrepen) en chemisch gewijzigde polymeren ingedeeld overeenkomstig de volgende bepalingen:

a)    indien er een onderverdeling „andere” bestaat in een reeks onderverdelingen van gelijke rangorde:

1)  de vermelding in een onderverdeling van een polymeer door middel van het voorvoegsel „poly” (bijvoorbeeld polyethyleen, polyamide-6,6) betekent dat de samenstellende monomeereenheid of monomeereenheden van het genoemde polymeer, samen genomen 95 of meer gewichtspercenten van het totale polymeergehalte dienen uit te maken;

2)  de copolymeren genoemd in de onderverdelingen 3901 30, 3901 40, 3903 20, 3903 30 en 3904 30 worden onder die onderverdelingen ingedeeld, voor zover de comonomeereenheden van de genoemde copolymeren 95 of meer gewichtspercenten van het totale polymeergehalte uitmaken;

3)  chemisch gewijzigde polymeren worden ingedeeld onder de onderverdeling „andere”, voor zover de chemisch gewijzigde polymeren niet specifieker zijn begrepen onder een andere onderverdeling;

4)  polymeren die niet voldoen aan hetgeen is bepaald onder 1, 2 of 3, worden ingedeeld onder de onderverdeling van de overblijvende onderverdelingen in de reeks, die polymeren omvat van die monomeereenheid die in gewicht overheerst over iedere andere afzonderlijke comonomeereenheid. Te dien einde worden samenstellende monomeereenheden van polymeren die onder dezelfde onderverdeling vallen, bij elkaar opgeteld. Slechts de samenstellende comonomeereenheden van de polymeren vallende binnen de reeks onderverdelingen van gelijke rangorde, dienen te worden vergeleken;

b)    indien er geen onderverdeling „andere” bestaat in een reeks onderverdelingen van gelijke rangorde:

1)  polymeren worden ingedeeld onder de onderverdeling die polymeren omvat van die comonomeereenheid die in gewicht overheerst over iedere andere afzonderlijke comonomeereenheid. Te dien einde worden samenstellende monomeereenheden van polymeren die onder dezelfde onderverdeling vallen, bij elkaar opgeteld. Slechts de samenstellende comonomeereenheden van de polymeren vallende binnen de reeks onderverdelingen van gelijke rangorde, dienen te worden vergeleken;

2)  chemisch gewijzigde polymeren worden ingedeeld onder de onderverdeling die overeenkomt met het ongewijzigde polymeer.

Mengsels van polymeren worden ingedeeld onder dezelfde onderverdeling als polymeren van dezelfde monomeereenheden, in dezelfde verhouding.

 

2.    Voor de toepassing van onderverdeling 3920 43 omvat de term „weekmakers” eveneens secundaire weekmakers.

 

 

Aanvullende aantekeningen (GN)

 

1.    Tot hoofdstuk 39 behoren handschoenen (met of zonder vingers) en wanten, geïmpregneerd, bekleed of bedekt met kunststof met celstructuur, ongeacht  of zij:

- zijn geconfectioneerd uit brei- of haakwerk of weefsel (ander dan bedoeld bij post 5903), vilt of gebonden textielvlies, dat geïmpregneerd, bekleed of

bedekt is met kunststof met celstructuur, dan wel

- zijn geconfectioneerd uit niet-geïmpregneerd, niet-bekleed of niet-bedekt brei- of haakwerk, weefsel, vilt of gebonden textielvlies, dat vervolgens met kunststof met celstructuur geïmpregneerd, bekleed of bedekt werd,

voor zover het brei- of haakwerk, weefsel, vilt of gebonden textielvlies slechts als drager dient (aantekening 3, onder c), op hoofdstuk 56 en aantekening 2, onder a), punt 5), op hoofdstuk 59).

 

TOP