Versie: 2017

AFDELING IV

 

PRODUCTEN VAN DE VOEDSELINDUSTRIE; DRANKEN, ALCOHOLHOUDENDE VLOEISTOFFEN EN AZIJN; TABAK EN TOT VERBRUIK BEREIDE TABAKSSURROGATEN

 

Aantekeningen voor de afdeling + Aanvullende aantekeningen voor de afdeling (GN)

 

 

 

HOOFDSTUK 22

 

DRANKEN, ALCOHOLHOUDENDE VLOEISTOFFEN EN AZIJN

 

 

Aantekeningen + Aanvullende aantekeningen + Aanvullende aantekeningen (GN)

 

 

AANTEKENINGEN

 

1.  Dit hoofdstuk omvat niet:

a)  producten bedoeld bij dit hoofdstuk (andere dan die bedoeld bij post 2209) bereid voor keukengebruik, waardoor zij ongeschikt zijn geworden om als drank te worden gebruikt (in het algemeen post 2103);

b)  zeewater (post 2501);

c)  gedistilleerd water, conductometrisch zuiver water en dergelijk zuiver water (post 2853);

d) waterige oplossingen die meer dan 10 gewichtspercenten azijnzuur bevatten (post 2915);

e)  geneesmiddelen bedoeld bij de posten 3003 en 3004;

f)  parfumerieën en toiletartikelen (hoofdstuk 33).

 

2.  Voor de toepassing van dit hoofdstuk en van de hoofdstukken 20 en 21 dient het alcoholvolumegehalte vastgesteld te worden bij een temperatuur van 20° C.

 

3.  Voor de toepassing van post 2202 wordt onder „alcoholvrije dranken” verstaan, dranken met een alcoholvolumegehalte van niet meer dan 0,5 % vol. Alcoholhoudende dranken worden naar gelang van het geval ingedeeld onder de posten 2203 tot en met 2206 of onder post 2208.

 

 

Aanvullende aantekeningen

 

1.  Voor de toepassing van onderverdeling 2204 10 wordt als „mousserende wijn” aangemerkt, wijn bewaard in gesloten recipiënten, die bij een temperatuur van 20° C een overdruk van 3 bar of meer vertoont.

 

 

Aanvullende aantekeningen (GN)

 

1.  Onderverdeling 2202 1000 omvat water, mineraalwater en spuitwater daaronder begrepen, waaraan suiker of andere zoetstoffen zijn toegevoegd of dat is gearomatiseerd, voor zover het als zodanig als drank kan worden gebruikt.

 

2.  Voor de toepassing van de posten 2204 en 2205 en van onderverdeling 2206 0010 wordt, naar gelang van het geval, verstaan onder:

a)  effectief alcoholvolumegehalte: het aantal volume-eenheden zuivere alcohol bij een temperatuur van 20 °C, aanwezig in 100 volume-eenheden van het betrokken product bij die temperatuur;

b)  potentieel alcoholvolumegehalte: het aantal volume-eenheden zuivere alcohol bij een temperatuur van 20 °C dat kan ontstaan door totale vergisting van de suiker die in 100 volume-eenheden van het betrokken product bij die temperatuur aanwezig is;

c)  totaal alcoholvolumegehalte: de som van het effectief en het potentieel alcoholvolumegehalte;

d) natuurlijk alcoholvolumegehalte: het totaal alcoholvolumegehalte van het betrokken product, voordat verrijking heeft plaatsgevonden;

e)  % vol: het symbool van het alcoholvolumegehalte.

 

3.  Voor de toepassing van onderverdeling 2204 3010 wordt als „gedeeltelijk gegiste druivenmost” aangemerkt, het product dat is verkregen door de vergisting van druivenmost en dat een effectief alcoholvolumegehalte heeft van meer dan 1 % vol en minder dan 3/5 van het totale alcoholvolumegehalte.

 

4.  Voor de toepassing van de onderverdelingen 2204 21, 2204 22 en 2204 29:

A. wordt onder „totaal gehalte aan droge stof” verstaan, het in grammen per liter uitgedrukte gehalte van alle in het product aanwezige stoffen die onder bepaalde natuurkundige omstandigheden niet in dampvorm overgaan.

Het totale gehalte aan droge stof moet worden bepaald bij een temperatuur van 20 °C volgens de densimeter;

B. a)  heeft de aanwezigheid van de onder 1, 2, 3 en 4 hierna vermelde totale gehalten aan droge stof geen invloed op de indeling van de producten bedoeld bij de onderverdelingen 2204 2111 tot en met 2204 2198, 2204 2222 tot en met 2204 2298 en 2204 2922 tot en met 2204 2998, te weten voor zover het betreft:

1.  producten met een effectief alcoholvolumegehalte van niet meer dan 13 % vol: 90 g of minder aan droge stof per liter;

2.  producten met een effectief alcoholvolumegehalte van meer dan 13 doch niet meer dan 15 % vol: 130 g of minder aan droge stof per liter;

3.  producten met een effectief alcoholvolumegehalte van meer dan 15 doch niet meer dan 18 % vol: 130 g of minder aan droge stof per liter;

4.  producten met een effectief alcoholvolumegehalte van meer dan 18 doch niet meer dan 22 % vol: 330 g of minder aan droge stof per liter.

Producten met een totaal gehalte aan droge stof dat uitgaat boven het maximum van elke hiervoor genoemde categorie, worden ingedeeld in de daaropvolgende categorie, met dien verstande dat, indien het totaal gehalte aan droge stof meer dan 330 g/l bedraagt, de producten onder de onderverdelingen 2204 2198, 2204 2298 en 2204 2998 worden ingedeeld;

b)  zijn de onder a) van deze aantekening opgenomen regels niet van toepassing ten aanzien van producten bedoeld bij de onderverdelingen 2204 2123 en 2204 2233.

 

5.  De onderverdelingen 2204 2111 tot en met 2204 2198, 2204 2222 tot en met 2204 2298 en 2204 2922 tot en met 2204 2998 omvatten onder meer:

a)  druivenmost, waarvan de gisting door toevoegen van alcohol is verhinderd of gestuit, te weten het product dat:

- een effectief alcoholvolumegehalte bezit van 12 of meer doch minder dan 15 % vol, en

- verkregen is door een product verkregen door distillatie van wijn toe te voegen aan niet-gegiste druivenmost met een natuurlijk alcoholvolumegehalte van 8,5 % vol of meer;

b)  distillatiewijn, te weten het product dat:

- een effectief alcoholvolumegehalte bezit van 18 of meer doch niet meer dan 24 % vol,

- uitsluitend is verkregen door een niet gerectificeerd product, verkregen door distillatie van wijn, dat een effectief alcoholvolumegehalte bezit van niet meer dan 86 % vol, toe te voegen aan wijn die geen suikerresidu bevat, en

- een gehalte aan vluchtige zuren bezit van niet meer dan 1,5 g/l, uitgedrukt in azijnzuur;

c)  likeurwijn, te weten het product dat:

- een totaal alcoholvolumegehalte bezit van 17,5 % vol of meer alsmede een effectief alcoholvolumegehalte van 15 of meer doch niet meer dan 22 % vol, en

- verkregen is uit druivenmost of wijn, welke producten afkomstig moeten zijn van wijnstoksoorten, die in het derde land van oorsprong zijn toegelaten voor de productie van likeurwijn en een natuurlijk alcoholvolumegehalte van 12 % vol of meer moeten bezitten, en wel

- door bevriezing, of

- door toevoeging, tijdens of na de gisting, van

- hetzij een product verkregen door distillatie van wijn,

- hetzij geconcentreerde druivenmost of, voor bepaalde likeurwijnen met een oorsprongsbenaming of met een geografische aanduiding welke voorkomen op de lijst van Verordening (EG) nr. 607/2009 (PB L 193 van 24.7.2009, blz. 60) en waarvoor zulks vanouds gebruikelijk is, druivenmost die is geconcentreerd door de rechtstreekse werking van vuur en die, afgezien van deze bewerking, aan de definitie van geconcentreerde druivenmost beantwoordt,

- hetzij een mengsel van deze producten.

Bepaalde likeurwijnen met een oorsprongsbenaming of met een geografische aanduiding welke voorkomen op de lijst van Verordening (EG) nr. 607/2009 (PB L 193 van 24.7.2009, blz. 60), kunnen evenwel worden verkregen uit verse, niet-gegiste druivenmost, zonder dat deze most een natuurlijk alcoholvolumegehalte van 12 % vol of meer behoeft te hebben.

 

6.  Voor de toepassing van de onderverdelingen 2204 10, 2204 21, 2204 22 en 2204 29:

a)  zijn „wijnen met beschermde oorsprongsbenaming (BOB)” en „wijnen met beschermde geografische aanduiding (BGA)” wijnen die voldoen aan de bepalingen van artikelen 93 t/m 108 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671) en aan de bepalingen die zijn vastgesteld tot uitvoering van deze verordening en die zijn gedefinieerd in nationale regelgeving,

b)  zijn „cépagewijnen” wijnen die voldoen aan de bepalingen van artikel 120 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671) en aan de bepalingen die zijn vastgesteld tot uitvoering van deze verordening en die zijn gedefinieerd in nationale regelgeving,

c)  zijn „in de Europese Unie geproduceerde wijnen” wijnen die voldoen aan de bepalingen van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671) en aan artikel 55 van Verordening (EG) nr. 607/2009 (PB L 193 van 24.7.2009, blz. 60).

 

7.  Voor de toepassing van de onderverdelingen 2204 3092 en 2204 3096 wordt als „geconcentreerde druivenmost” aangemerkt druivenmost waarvoor bij een temperatuur van 20 °C volgens de refractometermethode (als beschreven in de „Recueil des méthodes internationales d'analyse des vins et des moûts” (het handboek van internationale analysemethoden voor wijn en most) van de Internationale Organisatie voor Wijnbouw en Wijnbereiding (OIV), die in de C-reeks van het Publicatieblad is verschenen), geen lagere uitkomst dan 50,9 % wordt verkregen.

 

8.  Voor de toepassing van post 2205 worden enkel als „vermout en andere wijn van verse druiven, bereid met aromatische planten of met aromatische stoffen” aangemerkt: dergelijke producten, met een effectief alcoholvolumegehalte van 7 % vol of meer.

 

9.  Voor de toepassing van onderverdeling 2206 0010 wordt als „piquette” aangemerkt: het product dat is verkregen door gisting van onbewerkte draf van druiven, afgetrokken in water, of door uitloging met water, van de gegiste draf van druiven.

 

10.  Voor de toepassing van de onderverdelingen 2206 0031 en 2206 0039 worden als „mousserend” aangemerkt:

- gegiste dranken, verpakt in flessen, gesloten door middel van een champignonvormige stop, terwijl de afsluiting daarvan door draden, banden of anderszins is geborgd;

- gegiste dranken, anders aangeboden, met een overdruk van 1,5 bar of meer bij 20° C.

 

11.  Voor de toepassing van de onderverdelingen 2209 0011 en 2209 0019 wordt als „wijnazijn” aangemerkt: azijn die uitsluitend is verkregen door azijnzure vergisting van wijn en die een totaal gehalte aan zuren bezit van 60 g/l of meer, uitgedrukt in azijnzuur.

 

12.  Onderverdeling 2207 20 omvat mengsels van ethylalcohol gebruikt als grondstof voor de productie van brandstoffen voor motorvoertuigen, met een alcoholvolumegehalte van 50 % vol of meer en gedenatureerd met een of meer van de volgende stoffen:

a)  benzine voor wegvoertuigen (overeenkomstig EN 228);

b) tert-butylethylether (ethyl-tert-butylether,ETBE);

c)  methyl-tert-butylether (MTBE);

d) 2-methylpropaan-2-ol (tert-butylalcohol, tertiaire butylalcohol, TBA);

e)  2-methylpropaan-1-ol (2-methyl-1-propanol, isobutanol);

f)  propaan-2-ol (isopropylalcohol, 2-propanol, isopropanol).

De in de eerste alinea, onder e) en f), genoemde denatureringsmiddelen moeten worden gebruikt in combinatie met ten minste een van de in de eerste alinea, onder a) tot en met d), genoemde denatureringsmiddelen.

 

13.  Het bij de onderverdelingen 2202 9911 en 2202 9915 bedoelde eiwitgehalte wordt vastgesteld door het totale stikstofgehalte, dat wordt berekend volgens de methode van de punten 2 tot en met 8 van deel C van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 152/2009 van de Commissie (*), te vermenigvuldigen met factor 6,25.

 

(*)  Verordening (EG) nr. 152/2009 van de Commissie van 27 januari 2009 tot vaststelling van de bemonsterings- en analysemethoden voor de officiële controle van diervoeders (PB L 54 van 26.2.2009, blz. 1)

 

TOP