Versie: 2017

AFDELING IV

 

PRODUCTEN VAN DE VOEDSELINDUSTRIE; DRANKEN, ALCOHOLHOUDENDE VLOEISTOFFEN EN AZIJN; TABAK EN TOT VERBRUIK BEREIDE TABAKSSURROGATEN

 

Aantekeningen voor de afdeling + Aanvullende aantekeningen voor de afdeling (GN)

 

 

 

HOOFDSTUK 17

 

SUIKER EN SUIKERWERK

 

 

Aantekeningen + Aanvullende aantekeningen + Aanvullende aantekeningen (GN)

 

 

AANTEKENINGEN

 

1.    Dit hoofdstuk omvat niet:

a)    suikerwerk dat cacao bevat (post 1806);

b)    chemisch zuivere suikers (andere dan sacharose, lactose, maltose, glucose en fructose (levulose)) en andere producten, bedoeld bij post 2940;

c)    geneesmiddelen en andere producten, bedoeld bij hoofdstuk 30.

 

 

Aanvullende aantekeningen

 

1.    Voor de toepassing van de onderverdelingen 1701 12, 1701 13 en 1701 14 wordt als „ruwe suiker” aangemerkt, suiker waarvan het aantal gewichtspercenten sacharose, in droge toestand, overeenkomt met een polarisatiegraad van minder dan 99,5.

 

2.    Onderverdeling 1701 13 omvat alleen rietsuiker verkregen zonder centrifugeren, waarvan het aantal gewichtspercenten sacharose, in droge toestand, overeenkomt met een polarisatiegraad van 69 of meer doch minder dan 93. Het product bevat alleen natuurlijke xenomorfe microkristallen, van onregelmatige vorm, niet zichtbaar met het blote oog, omgeven door melasseresiduen en andere bestanddelen van suikerriet.

 

 

Aanvullende aantekeningen (GN)

 

1.    Voor de toepassing van de onderverdelingen 1701 1210, 1701 1290, 1701 1310, 1701 1390, 1701 1410 en 1701 1490 wordt aangemerkt als „ruwe suiker” suiker die niet is gearomatiseerd en waaraan geen kleurstoffen noch andere stoffen zijn toegevoegd en die in droge toestand minder dan 99,5 gewichtspercenten sacharose bevat, bepaald met behulp van de polarimeter.

 

2.    Het recht dat van toepassing is op ruwe suiker die onder de onderverdelingen 1701 1210, 1701 1310 en 1701 1410 valt en waarvoor het rendement dat is vastgesteld overeenkomstig bijlage III, deel (B), punt (III), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671), afwijkt van 92 %, wordt als volgt berekend :

het aangegeven recht wordt vermenigvuldigd met een aanpassingscoëfficiënt die verkregen wordt door het percentage van het rendement dat is vastgesteld volgens de hiervoor genoemde maatregel, door 92 te delen.

 

3.    Voor de toepassing van onderverdeling 1701 9910 wordt aangemerkt als „witte suiker” suiker die niet is gearomatiseerd en waaraan geen kleurstoffen noch andere stoffen zijn toegevoegd en die in droge toestand 99,5 of meer gewichtspercenten sacharose bevat, bepaald met behulp van de polarimeter.

 

4.    Voor de toepassing van de onderverdelingen 1702 2010, 1702 6095 en 1702 9071 wordt het suikergehalte (sacharose, fructose, glucose en maltose, waarbij de fructose en glucose worden berekend in sacharose-equivalent) bepaald met behulp van de HPLC-methode (hogedrukvloeistofchromatografie), volgens onderstaande formule:

 

S + 0,95 × (F + G) + M

 

waarbij:

 

„S” het met behulp van de HPLC-methode bepaalde sacharosegehalte is,

„F” het met behulp van de HPLC-methode bepaalde fructosegehalte is,

„G” het met behulp van de HPLC-methode bepaalde glucosegehalte is,

„M” het met behulp van de HPLC-methode bepaalde maltosegehalte is.

 

Voor producten van de onderverdelingen 1702 6080, 1702 9080 en 1702 9095 moet het sacharosegehalte, inclusief andere suikers berekend als sacharose, met behulp van de refractometermethode worden bepaald (uitgedrukt in graden Brix overeenkomstig de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 974/2014 van de Commissie (*). Voor producten van de onderverdelingen 1702 6080 en 1702 9080 moet de omzetting van de resultaten worden verkregen door de graden Brix met de coëfficiënt 0,95 te vermenigvuldigen.

 

5.    Voor de toepassing van de onderverdelingen 1702 3010, 1702 4010, 1702 6010 en 1702 9030 wordt met de term „isoglucose” het uit glucose of glucosepolymeren verkregen product bedoeld, dat ten minste 10 gewichtspercenten fructose bevat, berekend op de droge stof.

 

Voor producten van deze onderverdelingen moet het sacharosegehalte, inclusief andere suikers berekend als sacharose, met behulp van de refractometermethode worden bepaald (uitgedrukt in graden Brix overeenkomstig de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 974/2014).

 

6.    Als „inulinestroop” wordt aangemerkt:

a)    voor de toepassing van onderverdeling 1702 6080 het onmiddellijk na hydrolyse van inuline of oligofructose verkregen product, dat in droge toestand meer dan 50% vrije fructose of fructose in de vorm van sacharose bevat;

b)    voor de toepassing van onderverdeling 1702 9080 het onmiddellijk na hydrolyse van inuline of oligofructose verkregen product, dat in droge toestand ten minste 10 doch niet meer dan 50% vrije fructose of fructose in de vorm van sacharose bevat.

 

7.    De onder onderverdeling 1704 90 in te delen goederen die als assortiment worden aangeboden, worden onderworpen aan een agrarisch element (EA) vastgesteld naar het gemiddelde gehalte aan van melk afkomstige vetstoffen, melkproteïnen, sacharose, isoglucose, glucose en zetmeel, berekend over het gehele assortiment.

 

8.    In de nomenclatuur worden mengsels van suiker met kleine hoeveelheden andere stoffen ingedeeld onder hoofdstuk 17, tenzij zij het karakter hebben van een elders ingedeeld preparaat.

___________________________________

(*)    Uitvoeringsverordening (EU) nr. 974/2014 van de Commissie van 11 september 2014 tot vaststelling van de refractometermethode voor de bepaling van het gehalte aan oplosbaar droog residu in op basis van groenten en fruit verwerkte producten met het oog op de indeling ervan in de gecombineerde nomenclatuur (PB L 274 van 16.9.2014, blz. 6).

TOP