Versie: 2017

AFDELING III

 

VETTEN EN OLIËN (DIERLIJKE EN PLANTAARDIGE) EN DISSOCIATIEPRODUCTEN DAARVAN; BEWERKT SPIJSVET; WAS VAN DIERLIJKE OF VAN PLANTAARDIGE OORSPRONG

 

Aantekeningen voor de afdeling + Aanvullende aantekeningen voor de afdeling (GN)

 

 

 

HOOFDSTUK 15

 

VETTEN EN OLIËN (DIERLIJKE EN PLANTAARDIGE) EN DISSOCIATIEPRODUCTEN DAARVAN; BEWERKT SPIJSVET; WAS VAN DIERLIJKE OF VAN PLANTAARDIGE OORSPRONG

 

 

Aantekeningen + Aanvullende aantekeningen + Aanvullende aantekeningen (GN)

 

 

AANTEKENINGEN

 

1.    Dit hoofdstuk omvat niet:

a)    spek, varkensvet en vet van gevogelte, bedoeld bij post 0209;

b)    cacaoboter, cacaovet en cacao-olie daaronder begrepen (post 1804);

c)    bereidingen voor menselijke consumptie, bevattende meer dan 15 gewichtspercenten producten bedoeld bij post 0405 (in het algemeen hoofdstuk 21);

d)    kanen (post 2301) en afvallen bedoeld bij de posten 2304 tot en met 2306;

e)    vetzuren, bereide was, tot farmaceutische producten, verf, vernis, zeep, parfumerieën, toiletartikelen of cosmetische producten verwerkte vetstoffen, gesulfoneerde olie en andere producten bedoeld bij afdeling VI;

f)    uit olie verkregen factis (rubbersurrogaat) (post 4002).

 

2.    Met behulp van oplosmiddelen uit olijven verkregen olie wordt niet ingedeeld onder post 1509 (post 1510).

 

3.    Enkel gedenatureerde vetten en oliën of fracties daarvan vallen niet onder post 1518; deze producten worden ingedeeld onder de post die van toepassing is op de overeenkomstige niet-gedenatureerde vetten en oliën of fracties daarvan.

 

4.    Soapstock, oliedroesem of oliebezinksel, stearinepek, wolvetpek en glycerolpek worden onder post 1522 ingedeeld.

 

 

Aanvullende aantekeningen

 

1.    Voor de toepassing van de onderverdelingen 1514 11 en 1514 19 wordt als „koolzaad- en raapzaadolie met een laag gehalte aan erucazuur” aangemerkt, de vaste olie met een gehalte aan erucazuur van minder dan 2 gewichtspercenten.

 

 

Aanvullende aantekeningen (GN)

 

1.    Voor de toepassing van de onderverdelingen 1507 10, 1508 10, 1510 0010, 1511 10, 1512 11, 1512 21, 1513 11, 1513 21, 1514 11, 1514 91, 1515 11, 1515 21, 1515 5011, 1515 5019, 1515 9021, 1515 9029, 1515 9040 tot en met 1515 9059 en 1518 0031:

a)    worden door persing verkregen vloeibare of vaste plantaardige oliën aangemerkt als „ruw”, indien zij geen andere behandeling hebben ondergaan dan:

-    het decanteren gedurende een voor de desbetreffende oliesoort gebruikelijke tijdsduur,

-    het centrifugeren of het filtreren, voor zover het scheiden van de olie en de oorspronkelijk daarin voorkomende vaste bestanddelen alleen is geschied met behulp van een mechanische kracht, zoals met behulp van de zwaartekracht (bezinken), met behulp van de middelpuntvliedende kracht (centrifugeren) of door middel van filterpersen of andere persen, derhalve op een andere wijze dan door adsorptie of dan volgens een andere natuurkundige of scheikundige werkwijze;

b)    worden door extractie verkregen vloeibare of vaste plantaardige oliën aangemerkt als „ruw”, indien zij niet door hun kleur, geur of smaak en evenmin door hun bij de voor de desbetreffende oliesoorten gebruikelijke analyses blijkende eigenschappen verschillen van door persing verkregen plantaardige oliën en vetten;

c)    worden eveneens aangemerkt als „ruw”: ontslijmde sojaolie en van gossypol ontdane katoenzaadolie.

 

2.    A.   Als olijfolie in de zin van de posten 1509 en 1510 wordt enkel aangemerkt olie die uitsluitend afkomstig is van de behandeling van olijven en die, wat het gehalte aan vetzuren en sterolen betreft, de in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2568/91 van de Commissie (*) vermelde kenmerken heeft. Hun aanwezigheid kan worden vastgesteld met behulp van de in de bijlagen V en X bij die verordening beschreven methoden.

Tot olijfolie in de zin van de posten 1509 en 1510 worden niet gerekend chemisch gewijzigde olijfolie (met name opnieuw veresterde olijfolie) en mengsels van olijfolie met olie van een andere soort. De aanwezigheid van opnieuw veresterde olijfolie wordt vastgesteld met behulp van de in bijlage VII bij Verordening (EEG) nr. 2568/91 beschreven methode.

 

B.   Als olijfolie in de zin van onderverdeling 1509 10 worden enkel aangemerkt de onder 1, 2 en 3 hierna gedefinieerde oliën uit olijven die uitsluitend zijn verkregen langs mechanische weg of via andere fysische methoden onder omstandigheden waardoor de kwaliteit van de olie niet wordt aangetast, en die geen andere behandeling hebben ondergaan dan wassen, decanteren, centrifugeren en filtreren. De olijfoliën verkregen met gebruikmaking van oplosmiddelen of met gebruikmaking van een hulpstof met chemische of biochemische werking of met herverestering, en alle mengsels met olie van een andere soort, zijn uitgesloten van deze onderverdeling.

1.  Als „olijfolie voor verlichting (lampolie)” in de zin van onderverdeling 1509 1010 wordt aangemerkt olijfolie met de kenmerken van olijfoliën van categorie 3 zoals beschreven in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2568/91.

2.  Als „extra olijfolie verkregen bij de eerste persing” in de zin van onderverdeling 1509 1020 wordt aangemerkt olijfolie met de kenmerken van olijfoliën van categorie 1 zoals beschreven in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2568/91.

3.  Als olijfolie in de zin van onderverdeling 1509 1080 wordt aangemerkt andere olijfolie verkregen bij de eerste persing met de kenmerken van olijfoliën van categorie 2 zoals beschreven in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2568/91.

 

C.    Als olijfolie in de zin van onderverdeling 1509 90 wordt aangemerkt olijfolie die is verkregen door behandeling van olie van de onderverdelingen 1509 1010, 1509 1020 en/of 1509 1080, ook indien versneden met olijfolie verkregen bij de eerste persing, en met de kenmerken van olijfoliën van de categorieën 4 en 5 zoals beschreven in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2568/91.

 

D.   Als „ruwe oliën” in de zin van onderverdeling 1510 0010 worden aangemerkt de oliën met de kenmerken van olijfoliën van categorie 6 zoals beschreven in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2568/91.

 

E.    Als oliën van onderverdeling 1510 0090 worden aangemerkt zowel de oliën die zijn verkregen door behandeling van de oliën van onderverdeling 1510 0010, ook indien versneden met olijfolie verkregen bij de eerste persing, als de oliën die niet de kenmerken hebben als bedoeld in deze aanvullende aantekening, onder B, C en D.

Oliën van deze onderverdeling moeten de kenmerken hebben van de olijfoliën van de categorieën 7 en 8 zoals beschreven in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2568/91.

 

3.    Tot de onderverdelingen 1522 0031 en 1522 0039 behoren niet:

a)    afvallen, afkomstig van de bewerking van vetstoffen, die olie bevatten waarvan het joodgetal, bepaald volgens de in bijlage XVI van Verordening (EEG) nr. 2568/91 vastgestelde methode, kleiner is dan 70 of groter dan 100;

b)    afvallen, afkomstig van de bewerking van vetstoffen, die olie bevatten met een joodgetal tussen 70 en 100, maar waarbij het oppervlak van de piek die overeenkomt met de retentietijd van bètasitosterol (1), bepaald volgens de methode in bijlage V van Verordening (EEG) nr. 2568/91, minder bedraagt dan 93 % van het totale oppervlak van de sterolpieken.

 

4.    Voor de vaststelling van de kenmerken van bovengenoemde producten worden de analysemethoden gebruikt die zijn beschreven in de bijlagen van Verordening (EEG) nr. 2568/91. Daarom dient ook rekening te worden gehouden met de opmerkingen onderaan de bladzijde van bijlage I bij vorengenoemde verordening.

______________

(*)  Verordening (EEG) nr. 2568/91 van de Commissie van 11 juli 1991 inzake de kenmerken van olijfoliën en oliën uit afvallen van olijven en de desbetreffende analysemethoden (PB L 248 van 5.9.1991, blz. 1).

(1)  Delta-5,23-stigmastadiënol + chlerosterol + bètasitosterol + sitostanol + delta-5-avenasterol + delta-5,24-stigmastadiënol.

TOP